AMEN – Er zijn natuurlijk veel overeenkomsten. Amen ligt op de heuvelketen de Hondsrug en Nora Brown laat zich inspireren door de old- time muziek uit de bergen van de Appalachen in de Verenigde Staten. Beide streken kennen ook een fier eigen karakter en hebben bittere armoede gekend in verleden tijden. Eigenlijk is er dus nauwelijks een betere plek in Nederland te bedenken waar de muziek van de uit New York afkomstige gitarist, ze woont in Brooklyn, wat het verbasterde en verengelste Breukelen is, haar muziek tot zijn recht kan komen. Brown, eerder al eens te gast in Amen, toert nu samen met violiste Stephanie Coleman. De verwachting dat hier wel eens een heel bijzonder optreden zou kunnen zijn bleek redelijk bij het publiek door te zijn gedrongen. De deel kende een volle bak met liefhebbers van old-time Americana en bluegrass die door een nieuwe generatie vertolkers van het genre terug werden genomen naar het begin van deze stroming in de muziek.
Nora Brown is een jonge Amerikaanse banjospeelster, gitarist en zangeres. Toeval speelt een grote rol in haar verhaal. In Brooklyn zochten haar ouders een ukelele docent voor de zes jarige Nora. Ze kwamen uit bij wijlen Shlomo Pestcoe. Pestcoe drukte als docent, muzikant, masar ook zeker historicus en etnoloog een heel belangrijke stempel op de old-time scene in New York en ver daarbuiten. Hij leerde de piep jonge Nora niet alleen de ukelele, maar nam haar ook mee in zijn liefde voor deze muziek. Na Pestcoe kreeg Brown begeleiding van vele topmuzikanten in het genre. Haar eerste album, uitgebracht toen ze 13 was in 2019, ‘Cinnamon Tree’, een plaat waarop de samenwerking met Stephanie Coleman al hoorbaar is, want zij begeleidde Brown, die haar onder de aandacht bracht. In 2021 verscheen de opvolger ‘Sidetrack my Engine’ en al een jaar later bracht ze haar derde album ‘Long Time To Be Gone’ op de markt. Albums die steevast veel waardering oogsten. Voor haar laatste EP ‘Lady of the Lake’ keert ze terug naar samenwerking met Stephanie Coleman, voornamelijk bekend als lid van de The Slocan Ramblers. Een overeenkomst is dat beide op hun 13 hun eerste album uitbrachten na gestudeerd te hebben bij de beste opleiders in het vak. Coleman debuteerde met het album ‘I’m Little But I’m Tough!’. Daarna raakte ze betrokken bij Uncle Earl en als veel gevraagde fiddler werkte ze samen met namen als Rhiannon Giddens, Watchhouse’s Andrew Marlin en Aoife O’Donovan. Kortom op het podium in Amen twee rasmuzikanten met een gedeelde passie.
Op het podium een keer aan instrumenten, maar ook twee stoelen. Dat was onfortuinlijk, want niet alleen waren daarmee beide artiesten voor een deel van het publiek nauwelijks zichtbaar, het maakt het optreden ook heel statisch. Iets wat ze eigenlijk altijd doet blijkt op youtube filmpjes en wat ook niet een prachtig concert in de weg stond. De show begon met de echte Appalachen klassieker ‘Pretty Fair Damsel’. Een traag opgebouwde song die steeds meer won aan kracht en intensiteit. De stem van Brown, was even zoekende, maar al snel wist ze de emotie prima te vertolken en ook in ‘Springtime of Life’ was ze een fijne zangeres, waarbij de banjo van het openingsnummer was ingeruild voor de gitaar. Deze song ging naadloos over in het instrumentale ‘Irish Polka’. Voor het mooie rustige ‘Oh My Little’ nam Stephanie Coleman de verantwoordelijkheid voor de zang over. Gedurende het hele concert vulde de violist prachtig de harmonieën in, maar ook als leadzangeres bleek ze meer dan te overtuigen. Na het prima ‘Lady of the Lake’ was ‘The Beast in Me’ het begin van een prachtig einde van de eerste set. Met gitaar en viool werd een hele fijne melancholie neergezet, waar de stem van Brown nog een extra randje aangaf in rustige en kwetsbare nummer. Die zang van Brown kwam ook erg sterk voor de dag in het even mooie ‘Black Jack Davey’ dat meer uptempo was en de emotie prachtig vatte, waarbij de viool van Coleman een extra laag gaf naast de banjo van Brown. Het stevige ‘Across the Rocky Mountain’ was daarna ook schitterend en ging over in een rustige vertolking van het instrumentale ‘Old Blue Bonnett’. Veel liedjes kregen een praatje vooraf, mede ook omdat er ook vaak naar heel andere stemmingen moet worden gestemd en een banjo bijvoorbeeld wil ook wel eens weerbarstig zijn. Zowel Brown als Coleman voerden daarbij het woord, maar dat mag best wat inhoudelijker. Veel van de vertolkte liedjes hebben een lange historie of gaan in op specifieke omstandigheden, die soms wat nadere duiding mogen hebben. Duidelijk was dat beide dames meesters waren op hun instrumenten. Dat bleek ook in de tweede set die kalm begon, maar al in het tweede nummer ‘The Unicorn’ prachtig een verhaal vertelde en direct opvolgend in ‘Feeling Day’ weer erg mooi intens zinderde. In het midden van de set bracht het duo een aantal prima, wat rustigere songs en stukken, maar met gevoelige ‘Copper Kettle’ dat tweestemmig werd gebracht volgde het mooiste nummer van het hele optreden. Het kalme ‘Sally Ann’, ging daarna over in het instrumentale ‘Money in both Pockets’ voor werd afgesloten met het fijne ‘The Thinker’ met vooral de banjo in de hoofdrol. Als toegift van een avondje prima old-time Americana volgde nog een instrumentaal stuk. Het gezegde “Oude Wijn in nieuwe zakken”, is niet positief, oude muziek in jonge handen is dat bij Nora Brown en Stepanie Coleman wel, een prachtige invulling van oudere nummers, met hedendaagse accenten.